3 veel voorkomende fouten bij de diagnose van ADHD

07-10-2016

Het stellen van de diagnose ADHD is niet eenvoudig. Het vraagt tijd en deskundigheid om de diagnose juist te stellen. Allereerst gaan we in op 2 vragen -kan ik de diagnose zelf stellen? -wat houd de diagnose stellen in.

Vervolgens  bespreken we welke fouten kunnen voorkomen. Het is goed deze te kennen als zorgvrager en als zorgverlener. Tot slot wat  tips als je op zoek bent naar een diagnose voor jezelf of  voor je naaste.   

Dr Larry Silver (auteur van "How Can I Help My Child with ADHD)stelt in een artikel dat artsen soms de diagnose ADHD te snel stellen zonder alle symptomen voldoende te onderzoeken. In Nederland is dit diagnosticeren  de taak van psychiaters en GZ psychologen. Er zijn er enkelen die specialist zijn in het stellen van de ADHD stoornis.

Kan ik de diagnose zelf stellen? 

Er zijn natuurlijk allerlei  artikelen en vragenlijsten online verkrijgbaar waardoor jezelf de diagnose gesteld kunt hebben.  Hoewel de diagnose juist kan zijn, is het niet verstandig alleen op dit zelfonderzoek  te vertrouwen. Er is namelijk  een lange lijst van andere stoornissen waarvan de symptomen veel lijken op die van ADHD . Alleen een goed opgeleide zorgverlener kan de soms minimale verschillen, die er zijn tussen ADHD en aanverwante stoornissen, opmerken. Een aantal van die stoornissen kan samen met ADHD voorkomen, maar het kan dus zijn dat je geen ADHD hebt, maar iets wat er op lijkt.

Hoe stel je de diagnose.

Elke goede diagnose begint vaak met een screening die uitsluitsel geeft of verder onderzoek nodig is naar de diagnose. Deze screening vindt vaak plaats bij de huisarts of een andere zorgverlener en bestaat uit 4 vragen. Middels  die  4 vragen worden de 3 subtypen van ADHD uitgevraagd  en het chronisch karakter van ADHD.  De kern van ADHD  vormt niet het aanwezig zijn van symptomen maar het chronisch karakter ervan, aldus psychiater Sandra Kooij  Er is ook screening mogelijk op executieve functies, een lijst van 9 vragen (executieve functies: de controlefuncties van de hersenen die een rol spelen bij planning en besluitvorming). Degene die de mogelijke diagnose onderzoekt, maakt gebruik van  een diagnostisch interview voor ADHD  (DIVA) waarbij niet alleen wordt gekeken naar de huidige problemen maar ook naar onderwerpen als jeugd en gezin, werk en school. Sommige deskundigen vinden dat  het vraaggesprek voldoende  basis geeft, anderen menen dat er ook grondig moet worden getest. Er is echter geen neuropsychologische test die de ADHD kan vaststellen, die   geeft vooral aanvullende informatie. Het diagnostisch interview (DIVA)  toetst aan de criteria van DSM,  een soort diagnostische  handboek voor psychologen en psychiaters.  Bij twijfel of het wel of geen ADHD is, kan er aanvullend onderzoek worden gedaan: schoolrapporten opvragen of eventuele psychologische rapporten uit het verleden. Neuropsychologische  tests, zoals een intelligentietest, taalvaardigheid- of  geheugentest kan men inzetten om meer zicht te krijgen op bijkomende stoornissen.

 De fouten illustreren  hoe het de artsen afgaat bij het stellen van diagnoses bij ADHD achtige symptomen.

 

Fout nr 1. Medicatie voorschrijven om te kijken of dit helpt.

Neem bijv. de 8 jaar oude Freddy  die volgens zijn ouders  onoplettend was en moeite had om in de klas  stil te zitten. De ouders bezochten de kinderarts , die opperde: waarom zouden we geen ritalin proberen?

Na maanden medicatie geprobeerd te hebben raadpleegden zijn ouders de psychiater. Die onderzocht de schoolloopbaan en daaruit bleek dat het kind niet onaandachtig was  geweest in de voorgaande  2 klassen. Ook thuis was hij niet onaandachtig  of onrustig, maar  wel en alleen als hij huiswerk moest maken. De psychiater concludeerde na onderzoek dat de jongen een  verbale leerstoornis had. De rusteloosheid kwam voort uit frustratie bij het leren.

 

Fout nr.2 Vertrouwen op bewijsvoering die niet sluitend is

Alicia, een alleenstaande moeder maakte er zich zorgen over dat haar dochter Marie (10) mogelijk ADHD  had. Pijnlijk verlegen als ze was worstelde Marie al met school vanaf de laagste klassen. Alicia ging  ermee akkoord dat  een psycholoog haar dochter zou evalueren en deze concludeerde dat Alicia’ s dochter  ADHD  had. Alicia ging naar de huisarts die op basis van het rapport  Marie stimulerende medicatie voorschreef.  Twee jaren gingen voorbij. Ondanks de inzet van medicatie bleef Marie worstelen met  problemen op school en met leeftijdgenoten. Op dit punt aangeland belde de moeder de psychiater. Uit het  rapport concludeerde hij dat de psycholoog de diagnose had gesteld puur op basis van vragenlijsten en tests. Hij had geen onderzoek gedaan naar de ontwikkeling van Marie. Ook had hij geen vragen gesteld over de medische familiehistorie die mogelijk ertoe  bij kan dragen dat de schoolprestaties laag zijn. Zo had de psycholoog maar  1 uur  tijd  voor het kind genomen en niet de belangrijkste pijnpunten bij Marie boven tafel gekregen. Dr. Silver onderzocht haar in samenspraak met haar moeder  en kwam er achter dat Alicia en haar partner gescheiden waren gaan  wonen toen Marie 3 jaar oud was. Twee jaar later besloten zij te scheiden. Alicia meende dat haar  relatieproblemen en de daarop volgende scheiding maar een minimale invloed konden hebben op Marie. Maar toen de arts informeerde naar de nieuwe vriendin van  Marie’s vader en de nieuwe vriend van haar moeder barstte Marie in tranen uit.  Marie logeerde bij haar vader om het andere weekend en de  nieuwe vriend van haar moeder verbleef elk weekend bij haar moeder. De maandagen waren het zwaarst voor Marie. Geleidelijk ging het beter  als de week voortschreed.  Marie ‘s problemen kwamen voort uit depressie en machteloosheid met haar familiesituatie. Dr. Silver adviseerde om met medicatie te stoppen en psychotherapie op te starten. Het gedrag van Marie kwam niet overeen met de ADHD diagnose van het handboek DSM, haar problemen waren niet chronisch. Ze waren begonnen vanaf dat haar ouders gescheiden gingen wonen. De diagnose van de psycholoog was gebaseerd op vragenlijsten en computertests.  Dergelijke middelen kunnen wel hyperactiviteit en  impulsiviteit meten, maar niet verklaren wat de oorzaak is van dit gedrag.

Fout nr. 3. Falen in het in ogenschouw nemen van bijkomende klachten.

Virginia, een 40-jarige moeder dacht dat ze ADHD had. Ze was rusteloos, snel afgeleid en impulsief. Dit gedrag vertoonde ze al vanaf de laagste klassen van de basisschool. Ze was snel afgeleid, neigde ertoe  mensen te interrumperen en had weinig inzicht als het ging om haar werk, haar relatie en haar vrienden. Volgens dr. Silver moest ze wel ADHD hebben. Maar hier eindigde zijn werk niet. In 50% van de gevallen is er naast ADHD nog een andere klacht wist hij.  Zoals een leerstoornis , angst , depressie, dwangmatigheid. Zo kwam hij er door onderzoek achter dat ze ook  leesproblemen had. Ze kon dit alleen compenseren door vaker dezelfde informatie te herlezen. Rekenen, spellen en grammatica hadden  haar altijd problemen opgeleverd. Op de vraag of ze wel eens angstig was kreeg hij te horen dat ze haar leven lang al paniek aanvallen had gehad. Ze was bang voor kleine ruimtes, voor de lift en voor plaatsen waar veel mensen bij elkaar zijn. Ook was ze geobsedeerd met orde en netheid in huis. Ja, Virginia heeft ADHD, maar ze heeft ook dyslexie , angst en dwangmatige klachten. Bij het doorvragen over haar familie bleek dat haar oudste zoon van 12 problemen had op school met lezen en schrijven.   

Tips

Aan de hand van deze 3  voorbeelden  raadt dr. Silver aan om

-geen diagnose te accepteren uitsluitend op basis van afgenomen vragenlijsten of computertests

-als de diagnose ADHD mocht zijn je af te vragen of er voldoende gekeken is naar bijkomende klachten

 Andere tips en discussie.

Wetenschapsjournalist Karen Barrow geeft aan dat de huisarts de eerste persoon is die vragen krijgt of een kind wel of geen ADHD heeft. Deze kan onderzoek doen naar ijzerniveaus in het bloed en naar schildklierafwijkingen.  Een te laag ijzerniveau of een schildklier die uit balans is, kan klachten veroorzaken die op ADHD lijken. Zet de huisarts (of psychiater of kinderarts) niet onder druk om een diagnose te stellen. Op die manier wordt er vaak tot onjuiste diagnoses aangezet. Als er vastgesteld is dat je kind gezond is, kun je een ADHD specialist bezoeken, een specialist  die  jarenlange ervaring heeft met ADHD. Als je huisarts  geen specialist kent, raadplaag dan de site van adhdnetwerk of een belangenorganisatie zoals Impuls.  

De psychiater of GZ psycholoog met veel ervaring zal een uitgebreid onderzoek doen naar de diverse deelgebieden waarop kind functioneert, of er sprake is van angst bij taken, of er sprake is van depressieve klachten of een probleem is met leren. Ook kan er sprake zijn van problemen met prikkelverwerking.   Voor het vaststellen van ADHD bij volwassenen is een expert nodig die ervaring heeft in diagnostiek bij volwassenen aangezien bij deze groep diagnostiek moeilijker is dan bij kinderen. Voor volwassenen met mogelijk ADHD is de DSM minder behulpzaam. Deze stelt dat iemand 6 of meer afwijkingen moet hebben op  de dimensies van aandacht of impulsiviteit/hyperactiviteit  om  ADHD als diagnose te krijgen, er zijn echter volwassenen met 4 afwijkingen die toch ADHD blijken te hebben. Bij twijfel over de diagnose kunnen hersenonderzoeken zoals een EEG/QEEG meting en SPECT nuttige aanvullingen zijn.

Bronnen

K Barrow. The right way to get the right diagnosis. Attitude.com 

S Kooij. ADHD bij volwassenen. Pearson 2010

L Silver. Getting an ADHD diagnosis: 3 common mistakes. additude.com